Ik zit bij een vuur. Achter mij is de Gaasperplas, met zijn oneindige diepte. Mamma zegt dat je er niet kan zwemmen, onder het water ligt een afgrond waar het water opeens zo koud wordt dat je kramp krijgt en verdrinkt. Rond het vuur zitten nieuwe vrienden van pappa en mamma. Mensen van over de hele wereld. Ze wonen samen in een flat in de Bijlmer. Ik begrijp niet alles waar ze het over hebben, maar ik weet dat hier iets heel bijzonders aan de hand is. Ik kluif op een kippenpootje en geniet van de warmte.
later
Ik zit in de keuken in de Cleveland Catholic Worker. Er zijn veel mensen die ik niet zo goed ken, en ik weet nog niet zo goed hoe alles werkt hier. Een week ergens blijven is eigenlijk te kort; gelukkig ga ik snel weer terug naar Los Angeles, daar voel ik me tenminste nuttig. Ik heb een beetje honger, zal ik nog een gedoneerd stuk oud brood eten, of wacht ik op het avondeten? Dan vraagt iemand iets en raak ik aan de praat. Een jongen loopt weg om iets te halen. Hij komt terug met een foto, genomen op een Catholic Worker bijeenkomst in Europa. Naast hem op de foto staat mijn moeder die ik trots aanwijs: “Yes, that’s her, that’s my mom!”. Ik voel me al een stuk meer thuis.
later
Anna is nog afscheid aan het nemen van onze huisgenoten. Ik zit al op de fiets. Ik wil weg. Dan fietst ze ook de poort uit, en we gaan eindelijk. Anke fietst nog het langst met ons mee, maar als we de binnenstad van
Enschede achter ons laten blijft ook zij staan. De eerste kilometers maken we eigenlijk vooral ruzie met elkaar. De GPS probeert ons de weg te wijzen, maar hij lijkt niet goed te werken. Ondanks de omwegen die hij ons laat fietsen houd ik vol dat dit het beste is, terwijl ik ondertussen hoop dat de route snel wat logischer wordt. Zo halen we Marokko nooit.
later
Als ik in het bos geluid hoor kijk ik om. Het is niets. Maar in het donker weet je het nooit zeker. “Ik ben een beetje bang, lief.” Wildkamperen mag hier ook eigenlijk niet. Ik eet mijn eten snel op terwijl ik blijf staan, en steeds probeer om niet teveel in het vuur te kijken zodat ik niet mijn nachtzicht verlies. Ik zie Orion in de sterren en word een beetje kalmer. Weg bij het vuur is het kouder, maar in de tent word ik langzaam weer warm. Ik probeer het geluid van buiten te negeren, maar ook klaar te zijn om weg te rennen als dat nodig is. Ondanks mijn waakzaamheid val ik toch in slaap, zoals meestal.
later
Wij weten het Marokkaans-Arabische woord voor brood niet. Anna probeert het in het Frans, terwijl ik de fietsen vasthoud. De man in het winkeltje doet zijn best, maar kan deze vreemdelinge niet ontcijferen. Anna doet een mimeshow waarbij ze duidelijk laat zien dat ze eten wil. De man verkoopt eigenlijk geen brood, maar zijn vrouw heeft net Marokkaanse pannenkoek gebakken, en daar haalt hij wat van, voor ons. Geld wil hij niet hebben. Als hij het ons geeft bedenkt hij zich, hij kan ons zo niet op weg sturen. Hij nodigt ons uit om te eten bij hem thuis.
later
Het kamp is onrustig. Wat een vreemde dag om Calais te bezoeken. Overal is ME. Een groep Irakese christenen vraagt of we bij hen willen komen zitten bidden. Vlak voor de frontlinie van de ME. Ik probeer kalm te blijven, is dit niet hoe geweldloosheid werkt? Broeder Johannes van de Calais Catholic Worker zegt een kort gebed. Ik bid normaal in kleermakerszit, maar nu geknield: dan kan ik sneller opstaan als er iets gebeurt. Ik raak in gesprek met twee meisjes die naast me zitten. Ze vertellen over andere vluchtelingenkampen in Europa, en hoe zwaar het ook daar is. Dan wordt er opeens een soort vuurwerkraket afgeschoten. Er valt een rookbom op de grond bij ons in de buurt. Ik bedenk pas dat het traangas is als ik al ver weg ben. Ik schaam me dat ik niet rustig ben blijven zitten.
later
We zitten bij een vuur, in de nieuwe tuin van het Noëlhuis. Achter ons raast af en toe een metro voorbij en kun je de perrons van station Duivendrecht zien. Maar dat voelt ver weg. Het vuur neemt ons mee naar een tijd waarin de metro niet bestaat. We eten vegaworstjes, want dat is beter voor het klimaat. Maar eigenlijk zijn het hertenbouten, vers van de jacht. Een Libische jongen vertelt in overhaast Nederlands over de problemen in zijn land. Vanavond zal hij zijn familie bellen en huilen maar ook lachen, zegt hij. Ik mag gitaar spelen, en we zingen samen. Een jongetje van twaalf vertelt over zijn belevenissen, die nu al talrijker zijn dan die van menig volwassen man. Ik vraag me af of hij merkt dat er hier iets heel bijzonders aan de hand is.

