Het pacifisme van Dorothy Day biedt hier een ongemakkelijke, maar noodzakelijke spiegel. Haar radicale geweldloosheid vloeide rechtstreeks voort uit de Bergrede. Toen de Verenigde Staten zich in 1941 in de Tweede Wereldoorlog mengden, schreef zij vastberaden: “Wij zijn nog steeds pacifisten. Ons manifest is de Bergrede, en dat betekent dat wij zullen proberen vredestichters te zijn.”
Die houding bracht haar in conflict met zowel links als rechts, met de kerk en met haar eigen achterban. In die tijd verlieten vele mensen de beweging, omdat Dorothy weigerde geweld te rechtvaardigen. Voor haar stonden de werken van barmhartigheid haaks op de werken van oorlogvoering.
Maar geweldloosheid was voor Dorothy Day nooit een doctrine of een ideaal op afstand. Het was geworteld in praktijk en gemeenschap, iets dat zich moest inschrijven in het lichaam en in dagelijkse keuzes. In de huizen van gastvrijheid werd pacifisme geoefend in het samenleven zelf, in nabijheid, frictie en afhankelijkheid. Ook in onze gemeenschap gebeurt die oefening elke dag opnieuw. In de kleine (en grote) conflicten die ontstaan bij het samenleven, haren in doucheputjes, eten dat verdwenen is, afwas die blijft staan, maar ook de fundamentele onenigheid in het omgaan met conflicten en de onmogelijke keuzes die het leven ons dagelijks voorschotelt. Juist daar wordt zichtbaar dat geweldloosheid geen groot gebaar is, maar een voortdurende praktijk van terughoudendheid, verzoening en het weigeren om macht uit te spelen wanneer dat wel zou kunnen.
Tegelijkertijd maakte het leven in gemeenschap voor Dorothy scherp zichtbaar wie de eerste slachtoffers zijn van oorlog en bewapening. In de huizen van gastvrijheid leefde zij samen met armen, daklozen en mensen die door de samenleving waren afgeschreven. Daar werd dagelijks zichtbaar wie de eerste slachtoffers zijn van oorlog en bewapening, namelijk de kwetsbaren, de mensen zonder stem, de armen en de arbeiders. Ook vandaag zien we dit patroon terug. Militarisering trekt middelen weg van zorg, armoedebestrijding en onderwijs. Terwijl politieke leiders spreken over veiligheid, groeit de bestaansonzekerheid voor mensen aan de onderkant. Veiligheid wordt zo een abstract nationaal project, terwijl concrete levens steeds precairder worden.
Structureel pacifisme
Mijn eigen ‘pacifisme’ is gevormd door mijn leven in gemeenschap en het getuigenis van Dorothy Day. Toen ik hier (vier jaar geleden) net kwam wonen vond ik pacifisme een geprivilegieerde en abstracte ideologie, maar ik heb steeds meer de gelaagdheid ervan mogen ontdekken. Ik noem mezelf nu weleens een structureel pacifist, dat wil zeggen dat ik tegen al het (van bovenaf) georganiseerde en geïnstitutionaliseerde geweld ben, maar niet elke vorm van geweld contextloos en absoluut veroordeel.
Dit pacifisme is voor mij niet gebaseerd op een romantisch mensbeeld. Wij leven niet in een geweldloze wereld. Conflicten, dreiging en agressie zijn reëel, historisch, politiek en evolutionair. We zien het ook terug in de meer-dan-menselijke natuur, waar wij mensen niet los van staan. Maar het erkennen van geweld betekent niet dat we het tot leidend principe moeten maken, maar juist dat we er bewust mee moeten omgaan.
Geweld als verdienmodel
Geweld wordt gevaarlijk wanneer het wordt geïnstitutionaliseerd en vooral geëconomiseerd. Zodra geweld banen creëert en winst oplevert, is het geen middel meer, maar een zelfbehoudend systeem. De wapenindustrie produceert haar eigen noodzaak en leeft van permanente dreiging. Een economie die draait op bewapening maakt vrede structureel onrendabel en ondermijnt elke oprechte vredesdialoog.
Vrede wordt dan een marktprobleem, het is economisch instabiel. Dat maakt militarisme zo hardnekkig. Niet omdat mensen oorlog willen, maar omdat het systeem niet zonder kan. Pacifisme past niet in ons investeringsmodel. Diplomatie, conflictpreventie, herstelrecht, internationale solidariteit en sociale zekerheid worden structureel ondergefinancierd, omdat ze geen snelle rendementen opleveren.
Pacifistisch realisme
Maar wat dan..? Zonder militarisering staan de Russen hier morgen op de stoep en worden alle vrouwen verkracht. Wil je dat? Nou nee, liever niet. Ik wil wel graag deze oorlogspropaganda en vijandsvorming kritisch bevragen en uit de logica stappen dat er maar twee opties zijn: of je doet niets of je militariseert je tot de tanden. Pacifisme is niet één alternatief, maar een pluraliteit aan alternatieven tegenover het totalitaire dogma van geweld als enige oplossing.
Pacifisme ontkent reële dreigingen niet. Ook het recht op zelfverdediging wordt binnen pacifistische tradities verschillend beoordeeld. Maar wij weigeren geweld als norm en bewapening als groeimodel. Wij weigeren een economie die geweld nodig heeft om te kunnen draaien. Wij weigeren militarisering as default: geweld als eerste, laatste en enige oplossing, terwijl alle alternatieven worden weggezet als onrealistisch.
Een samenleving die vrede zegt te willen, maar haar economie laat draaien op wapens, liegt tegen zichzelf. Zolang miljarden structureel naar bewapening gaan en vrede economisch verlies betekent, zal geweld zich blijven reproduceren, ongeacht intenties. Daarom zie ik pacifisme niet langer als een geprivilegieerd moreel standpunt, maar eerder als een structurele kritiek.
Ik noem het pacifistisch realisme. Dat we geweld (in onszelf en in de wereld) onder ogen komen en erkennen, maar onze samenleving zo organiseren dat geweld niet de primaire oplossingsvorm wordt en dat we in gemeenschap dagelijks oefenen met het belichamen van andere manieren van wereld weven. Minder spectaculair dan een wapenwedloop, maar wel een stuk goedkoper en duurzamer en het geeft vrede eindelijk weer een eerlijke kans.

