Uit afgronden roep ik U, God, hoor mij, Barmhartige, ik blijf vragen. (Psalm 130, 1)
Frits en Nikki hadden in die tijd met zeildoek en stro een beschutte plek gemaakt ergens in de bosjes in de buurt. Fouad nam het aanbod om daar te overnachten enthousiast aan. In het begin belde hij ‘s ochtends rond 5 uur aan om vochtige
dekens te drogen te hangen in de t.v. kamer. We legden hem uit dat hij pas later mocht aanbellen.
Maar afspraken werken niet zo goed bij Fouad. Hij nam al gauw de hele t.v. kamer in beslag en hing urenlang op de bank te bellen met de hele wereld. Als we niet oppasten bleef hij ‘s nachts ook slapen. Dus zegden we hem meerdere keren de wacht aan: een week niet meer welkom in huis. Na zo’n weekje kwam hij terug alsof er niets was gebeurd, dankbaar voor elk momentje van comfort en menselijke warmte. Wat een veerkracht!
Fouad pendelde regelmatig als arbeidsmigrant heen en weer tussen Valencia en Amsterdam. Het is een raadsel hoe hij dat flikte, want zover wij weten had hij geen verblijfsvergunning, voor geen enkel Europees land. Op een gegeven moment verdween hij compleet van onze radar. Tot begin dit jaar. Hij belde vrolijk Nikki op om ons allen een gelukkig nieuwjaar te wensen. Tussen neus en lippen door vertelde hij dat hij opgesloten zat in de grensgevangenis van Rotterdam. Aangehouden voor fietsen zonder licht.
Tussendoor hebben we nog een paar keer gebeld. Half februari belde hij ons, in diepe wanhoop. Hij had twee weken niets meer gegeten. Zijn advocaat was op vakantie en deed niets voor hem. En hij moest absoluut terug naar Spanje vanwege het generaal pardon daar, misschien wel zijn enige kans op een verblijfsvergunning.
Om hem te kunnen bezoeken, moest Fouad zelf een aanvraag doen. Maar hij moest daarvoor zoveel papierwerk verrichten, dat dat aanvankelijk niet lukte. Hij was inmiddels overgebracht naar de grensgevangenis bij Schiphol. Op Aswoensdag hielden we daar een wake. Zoals gebruikelijk liepen we rond het gebouw en wuifden naar de gevangenen. En zowaar, Fouad verscheen springend en dansend achter een raam, blij ons te zien!
Inmiddels heeft Merle hem bezocht. Zijn veerkracht lijkt geknakt. Vermorzeld onder het gewicht van verstikkende wetten en procedures. We kunnen weinig anders dan met hem hopen op de Barmhartige.
Het geknakte riet niet zal verbreken en de kwijnende vlaspit niet zal uitdoven; naar waarheid zal de Levende het recht openbaren. (Jesaja 42, 3)

