“De zee zal haar doden teruggeven, wie ondergingen, hen wordt recht gedaan.”
lk jaar krijg ik weer kippenvel wanneer deze tekst gezongen wordt in de Mozes en Aäronkerk. Jaarlijks herdenken we daar de vluchtelingen die het afgelopen jaar omgekomen zijn aan de Europese grenzen. Van een aantal van hen worden de namen genoemd. Van sommigen zijn de verhalen en namen niet bekend.
Toch geloven we dat niemand van hen vergeten is. Al hun namen staan in Gods handpalmen gegrift.
Die liefdevolle handpalmen maken soms ook een vuist. “Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien,” zo kondigt Maria de komst van God naar deze aarde aan.
En zo staan we zelf soms ook met gebalde vuisten, in opstand tegen systemen van uitsluiting, vernietiging en dood, in het vertrouwen dat die nooit het laatste woord kunnen hebben.
En soms openen we onze vuisten en zien we de namen die daar staan. Dan kijken we terug, soms met verdriet, maar ook met dankbaarheid voor het wonder van 33 jaar Noël huis. Niemand is vergeten.


