In mijn twijfel denk ik vaak aan Dorothy Day en haar anarchisme. Al lang voor haar bekering tot het katholicisme sloot ze zich aan bij het protest voor vrouwenkiesrecht. Ze werd gearresteerd, de eerste van vele keren in haar leven. Toch heeft ze nooit van dit stemrecht gebruikgemaakt. Dat was geen gemakzucht of onverschilligheid, maar een bewuste keuze. Day zag dat de democratie waarin zij leefde gebouwd was op waarden die haaks stonden op het evangelie: op materialisme, op geweld als vanzelfsprekend middel en op een sociale orde die onrecht en onverschilligheid tegenover de armen normaliseerde. Voor haar lag echte verandering niet in het stemhokje, maar in gemeenschap. In het breken van brood, het delen van leven en het oefenen van barmhartigheid.
De politieke velden van links en rechts, als we even vasthouden aan deze kortzichtige en binaire tweedeling, verschillen op veel punten, maar ze hebben ook veel meer gemeen dan ik vroeger dacht. We doen alsof het gaat om twee tegengestelde werelden, maar in werkelijkheid delen ze dezelfde fundamenten: het geloof in vooruitgang, economische groei, menselijke uitzonderlijkheid en de natiestaat als hoogste vorm van gemeenschap. Het politieke toneel wekt de indruk van keuze, maar is in feite een zorgvuldig geregisseerd spektakel dat onze aandacht vasthoudt terwijl de onderliggende kapitalistische, koloniale en patriarchale structuren onaangeroerd blijven. Links en rechts functioneren zo steeds vaker als instrumenten van macht, ze framen conflicten in voorspelbare, versimpelde termen en scheppen daarmee de illusie van keuzes binnen een gesloten systeem. Die schijnbare strijd helpt elites en grote bedrijven om hun positie te behouden, en houdt precies datgene in stand waartegen zovelen denken te vechten.
Als anarchist geloof ik niet in hiërarchie, macht of de natiestaat, en dus ook niet in de politieke fictie van grenzen die bepalen wie meetelt en wie niet. Toch weet ik ook dat binnen dat giftige systeem de schijnkeuzes soms wel iets uitmaken. Dat de beslissingen die er worden genomen gevolgen hebben, juist voor mensen die geen stem krijgen, voor wie zonder papieren leeft aan de rand van wat deze samenleving als ‘binnen’ beschouwt. Daarom gaf ik mijn stem bij de vorige verkiezingen aan iemand zonder documenten, en overtuigde ik drie anderen om hetzelfde te doen. Die stemmen gingen naar mijn huisgenoten, die elke dag leven met de gevolgen van beleid, maar nooit gevraagd worden wat ze daarvan vinden. Het is een klein verzet, een gebaar van weigering en verbondenheid, tegen een systeem dat alleen kan bestaan zolang wij erin blijven geloven.
Want terwijl de wereld kraakt onder de logica van macht, bouwen wij in en met bomen, op kolensporen en in gemeenschappen van gastvrijheid aan iets anders. Een wereld waar we niet op kunnen stemmen, maar die we wel kunnen leven.


